Vandaag is het Keti Koti, een dag die de afgelopen jaren steeds meer betekenis voor me gekregen heeft. We herdenken het trans-Atlantische slavernijverleden. En staan stil bij wat ondernemers uit Nederland mensen uit andere delen van de wereld hebben afgenomen. Niet alleen hun vrijheid. Niet alleen hun land, hun familie, hun taal. Maar iets nóg fundamentelers: Het recht om als mens gezien te worden. Mijn voorouders waren geen plantage-eigenaren, rijke reders of ambtenaren. Integendeel, ze waren zo arm als een kerkrat. Ze hadden weinig kansen. Sommigen zaten wel eens in de gevangenis omdat ze zongen op straat en om geld bedelden. Anderen ploeterden op het platteland. Ze hadden weinig bezit, maar hadden wel een privilege. Ze werden namelijk als mensen behandeld. Ze mochten trouwen met wie ze wilden. Ze werden bij naam genoemd. Ze hadden recht op hun eigen lichaam. Op hun kinderen. Op hun toekomst. Dat recht is systematisch ontnomen aan tot slaaf gemaakte mensen. Generaties lang. Mensen werden verhandeld als spullen. Gebrandmerkt. Gedwongen te werken zonder daarvoor betaald te worden. Ze werden als dieren behandeld. Vaak nog slechter. Hun menselijkheid werd afgepakt. Weggeorganiseerd. En dat heeft diepe sporen nagelaten die nog steeds niet uitgewist zijn. Vandaag gaat dus niet alleen over toen. Het gaat ook over nu. Over wie er gezien wordt. En wie niet. Herdenken is erkennen. Dat mijn voorouders misschien arm waren, maar wél mens mochten zijn. En dat anderen, die voor 99,9% hetzelfde genetische materiaal hadden dat niet mochten. Als ik daaraan denk, word ik heel stil. Als het aan mij ligt, wordt 1 juli een officiële vrije dag in Nederland. Zodat iedereen samen kan herdenken en daarna de vrijheid kan vieren.

